196
zooies. En ze had nogal zoo opgesneje tegen Maar, en Sien en Geert. Nou, die zouwe ook zegge me ben’ zelf sjieker! daar hei-je Maarten ook! die hêt zich puur angekleed! wat hep ie an? 'n treiter? nee, hoor, 'n donkerblauw kestuum. Piekfijn, hoor! enne.
„Van 't teneel!" basde Bargers.
,Hè, man! ik schrik me temet 'n ongeluk!" zei Marijtje en ze vloog tusschen de coulissen, waar ze tegen de dochter van „de sjoufleur" opvloog, die alle eerste rollen kreeg, laag neer zag op het beginne-lingetje en die haar een opstopper gaf van je welste.
„An 't gordijn!"
Als een veldmaarschalk regeerde Bargers z'n troepen.
Natuurlijk werkte het scherm niet en Klaas Gorris, vaandeldrager van Neptunes en scherm-ophaler van de rederijkers-kamer sjorde tot z'n boordje half-stag hing.
Eindelijk, met een ruk en gepiep van belang vloog het scherm de hoogte in en aanschouwde men het tooneel dat een marktplein moest voorstellen, maar waar men ieder oogenblik verwachten kon een tijger te zien verschijnen.
Onder ademlooze stilte van het publiek werd een van die ouderwetsche comediestukken opgevoerd, die nergens meer succes hebben dan in plaatsen waar nooit nog beroepstooneelisten optraden. Natuurlijk gebeurden er hoopjes ongelukken, bleven de acteurs en actrices steken en sprak de souffleur veel te hard,