195
En h o e hij speechte! Zijn woordenvloed was als de val van een bergstroom en bijna door niets te stuiten.
Hij begon zijn speechen gemeenlijk met: „Nadat reeds zoovelen” en eindigde die met een: „Ik hèb gezeid”.
Wat hij daartusschen beweerde hing als droog zand aan elkaar, maar het deerde niemand, want zijn speech was gezwollen en rhetorisch en liet niet na indruk te maken op de eenvoudigen van harte.
Dat hij vele vreemde woorden verkeerd gebruikte, wie zou 't hem kwalijk nemen? Wie lette er op, dat hij voor laag bij den grond platonisch zei, nervieus voor nerveus en een triologie waar hij een trilogie bedoelde.
Als regisseur was hij hun mannetje en niemand zou het wagen hem te weerstreven,
Marijtje, koud en zenuwachtig, stond op het al aangekleede tooneel en keek door het kijkgaatje in het scherm.
„Daar zaten ze „van ons”, waarmee ze haar eigen familie bedoelde. De vrouw van bovemeester zat achter moeder, krimmene, wa' had da’ mens d’r eige toegetakeld! Ai! daar hep je burgemeester, die gaat op de eerste rij zitten. Ze zal vast niet durreve zinge nou burgemeester zoo vooran zit! — haar hart klopte onstuimig — daar had je dokter en mevrouw met juffrouw Sita en Koos.
Gauw kijke wat juffrouw Sita an hep, Ajakkie! geeneens een erge mooie jurrek, en geen ketting of