193
„Ik ben correspondent voor een groot Engelsch dagblad, waar ik geregeld m’n reis-beschrijvingen in neerpen en dan ben ik bezig aan een werk over m'n laatste Noordpool-reis. Valt je niet mee, hè? je dacht zeker dat ik zoo'n beetje liefhebberde in Noord-pool-reizen! Maar toch ik ben niet van plan m'n heele leven een trekvogel te blijven. Misschien.... als ik eenmaal de vrouw ontmoet, die m'n hart in vlam zet en die dan nog bovendien den moed heeft zich te binden aan zoo'n ruig type als Maarten van Oosterwijck.... ah! daar hoor ik stemmen! Koos hoor je boven allen uit, Chita, ik piep 'm! 't Was een allergenoeglijkste avond. Kom je dan met je moeder m'n kluis bekijken? Tot ziens!"
Twee lange beenen wipten het raam uit en Maarten verdween in de duisternis,
Chita snelde naar boven. Ze was nu te vol om ongedwongen te kunnen praten. Dezen avond, die haar zooveel dichter bij Maarten had gebracht, dezen onverwachten avond, die haar de overtuiging had geschonken, dat ze Maarten niet onverschillig was, o, ze kon dien nu niet verder doorbrengen met anderen, Alleen moest ze zijn, om stil te kunnen herhalen en overdenken, al wat er gezegd was tusschen Maarten en haar, En beneden stonden op tafel de twee theekopjes en naast het eene een aschbak, waarin de uitgeklopte asch van een pijp,
„Is Maart'n er geweest?" vroeg Koos, Spottende en vragende blikken en de mooie film was voor een oogenblik vergeten.
Wending* 13