191
edelen ridder! Waarom deed je het? was je verlangen werkelijk zoo groot?”
Chita weifelde met antwoorden. Wat kon ze hem zeggen? dat ze Tom geschreven had.... omdat.... ze toen al.... jaloersch was op het kleine Sijmpie, dat Maarten's aandacht van haar aftrok?
Het was niet moeilijk een leugentje te bedenken, maar met Maarten's eerlijke oogen op zich gevestigd, was het niet gemakkelijk iets onwaars te zeggen.
„Ik was melig," zei ze en ze dacht dat ze nu tenminste geen onwaarheid had gezegd.
„Daar kan ik niet bij! Als i k melig ben — en ik ben 't vaak genoeg — dan zoek ik de stilte en ik maak een wandeling van een paar uur en laat de zeewind om m'n hoofd spelen. Maar ik vraag geen modepop op bezoek om me van m'n meligheid af te helpen! Trouwens, toen je terugkwam, zag je er niet naar uit, of je meligheid weggetrokken was.”
„Je hebt bijzonder goed op me gelet,” lachte Chita. „Flens! die zit,” dacht hij en hij had danig het land, dat hij zich zoo in de kaart had laten kijken. Het liefste was hij nu maar opgestaan en verdwenen, hij wilde echter niet laten merken, dat hij door dit plagerijtje in het nauw gedreven was. „Zoo'n nest, ik dacht haar uit d'r huisje te lokken en eigenlijk heb ik me netjes door haar in de kaart laten kijken. Als ze nu niet inziet, dat ik stapel op d'r ben!.... De
duvel! ze doet net of ze niets in het snufje
heeft!.... wat gaat haar dat goed af! Vrouwen zijn geboren huichelaarsters...."