190
dachten, dan mooie kleeren, glimmende nageltjes en.... hèt poederdonsje!"
„Erg, hè?" lachte Chita.
„Och, niet erg, maar als er niet meer is dan dat, ja, dan is hét wèl erg. Ik zie je honderdmaal liever zooals je nu bent, dan b.v. zooals je dien avond op stap ging met het prachtige joggie met slobkousen aan. Wat een paskwil van 'n ventje was dat."
„Och, hij is heusch niet erger dan de rest. Ze doen allemaal zoo aanstellerig en hyper-modern, maar als ze een jaar of vier verder zijn, dan worden 't heel geschikte lui. Je moet dit niet zoo veroordeelen. Je staat er zoo buiten."
„Ja, gelukkig wel. Stel je voor dat ik zóó door het leven moest beenen, zóó opgeprikt, zoo latest fas-hion! Maar ik wil graag aannemen, hoor! dat zoo'n jog naderhand verandert, alleen dien avond.... ik heb me groen geërgerd aan jullie."
„Ik voelde je spot-blikken in m’n rug, toen we wegreden."
„Heb je je heusch geamuseerd? Zeg het eens eerlijk?"
„Buitengewoon! We hebben den geheelen weg gekibbeld. Tom vond me saai geworden en hij weet het aan de veranderde omgeving."
Maarten schaterde.
„Hij is rijk! En wilde hij je niet mee terug nemen naar z'n wereld van licht en dans en muziek?”
„Maarten, dat heb i k gezegd!”
„O ja, da's waar! je had hem tot je geroepen, dien