189
atoompje. Dan valt alle verschil van den een tot den ander weg, dan voel je, dat je geen cent méér waard bent, dan Krelis of Sijmen, die hun deugden en hun ondeugden hebben net als ieder ander. Ik houd van ze. Ze zijn in hun leelijke en in hun goede dingen echter eerlijker dan de meest beschaafde, ontwikkelde menschen. En vergeet niet, hier is een stuk van mijn jeugd, en hier leeft de herinnering voort aan m’n ouders, m’n voorouders. Als Neel de bad-vrouw praat over den tijd dat m'n vader nog ’n kwajongen was en ouwe Wullem, de visscher, van „uwes grootvader zaliger" dan voel ik me zoo warm, zoo vertrouwd, dan weet ik, dat ik bij hen hoor, voor altijd. Als ik in de Noordpool zit, of waar dan ook, ver, ver weg, dan weet ik, dat er een plekje op aarde is, waar menschen wonen, die aan me denken, die blij zijn me terug te zien. Dat is geen ijdelheid, dat
is dat is gemeenschapszin. Kun je dit aanvoelen,
Chita?”
„Niet heelemaal,” zei ze eerlijk. „Maar toch, zooals jij het nu zegt, ja, nu komt het me wel begrijpelijker voor. Weet je, Maarten, jouw en mijn leven zijn zóó heel verschillend — het mijne veel, veel minder mooi, hoor! — ik kan dit andere niet zoo geheel aanvoelen, maar dat ik er in die twee maanden dichterbij ben gekomen, dat kun je gelooven.”
„Dat is me niet ontgaan.” Er was een warme klank in zijn stem. „De Chita van eenige maanden terug had niet met Marijke een liedje ingestudeerd. Toen was je nog de kleine ijdeltuit, met geen andere ge