187
moet ik toch zeggen, ’t is niet overal zoo, want bij de Marsmannen en de van Eerden’s is wel een vrije toon tusschen de kinderen en de ouders, maar 't is er niet zoo.... zoo brutaal en critisch als bij ons."
„Dat je het inziet is een stap in de goede richting. Me dunkt, jij als oudste zus zou een heeleboel kunnen doen om een beteren toon te krijgen. Maar, ik ben geen zedenmeester, hoor! je zult zelf het beste weten, hoe je je leventje moet inrichten."
„Wil je nog thee?"
„Nou en of! en niet zulke deftige kopjes. Vol tot den rand!"
„Je hebt maar te bevelen."
„Was 't maar waar!’
„En wat zou je dan bevelen?"
„Nou, b.v. dat je voortaan Maarten zou zeggen en het goed vond dat ik Chita zeg.”
„Toegestaan! Wat verder?"
„Dat je.... niet eeuwig als ik hier ben met je neus in je breiwerk zit."
„Wordt over gedacht. Nog iets?"
„O ja, nog een heele bende zou ik bevelen.... si j'étais roi!”
„Nou, hier ben je zoo'n beetje koning!”
„Heb je stiekum om zitten lachen, hè?”
„Heelemaal niet stiekum! Openlijk! vraag maar aan Koos."
„Ik ben hier heelemaal geen koning! juist niet! Ik ben een der hunnen, en dat voelen ze."