186
vonden, zoo'n troep knullen om de tafel. En jij? met hoeveel zijn jullie?"
„Met z'n vieren, en ik geloof, dat we er geen van allen rouwig om waren geweest om kind alleen te zijn. We kibbelen eeuwig en er is heelemaal geen gezellige band tusschen ons. Wim is een reuze goeie kerel en de tweelingen zijn koddig, maar we kunnen geen drie minuten vrede houden. Ik geloof, dat het ligt aan de zenuwachtige gejaagdheid van vader en moeder. Vader is een aarts-mopperaar en moeder is, neen was, zoo bang als de dood voor hem en ontzag hem in alles."
„Je zegt, was. Is daar dan nu een verandering in gekomen?”
„Ja, gelukkig wel. Moeder heeft van den zomer een wijze vriendin opgedaan en die heeft haar en doet haar nog, ontzaggelijk veel goed. Trouwens vader is ook veel veranderd. Die heeft zóó in den piepzak gezeten dat lieve Chita het hoekje om zou gaan, dat hij daardoor geheel murw is geworden en hij is heusch veel geschikter dan vroeger,"
„Koddig om te hooren, hoe jij over je ouders spreekt! of 't twee ondeugende kinderen zijn, waar je met toegeeflijkheid over oordeelt, M'n zus en ik waren geen heilige boontjes, maar, neen, zóó dachten en spraken we toch niet over onze ouders,”
„Misschien maakt het stadsleven wel zoo," peinsde Chita. „Je ziet en hoort niet anders, waar je ook komt en dan denk je, dat 't zoo hoort. Hier ben ik er ook wel anders over gaan denken en ja, dat