185
„Klein diertje,” zei Chita verteederd, en ze gaf hem een kus op z’n mollige koontje. „Japie lief slapen gaan, hoor!"
„Japie tape-taap!” beloofde hij.
Voorzichtig legde ze hem in z'n bedje en vast stopte ze de wollen dekentjes in.
„Zeg?” vroeg Maarten, toen ze weer beneden waren, „krijg ik er een beetje warme thee bij? Dat natte intermezzo daarboven heeft m'n thee koud gemaakt. Lief knulletje, hè?"
„Ja, ik ben nu een beetje aan hem gewend, maar eerst vond ik hem naar!"
„Naar!" barstte Maarten los. „Zoo'n lieve, kleine kerel naar!"
„Ik houd niet bijster van kleine kinderen, maar hem vind ik heusch wel heel geschikt. Alleen, ik ben er zoo onhandig mee."
„Went wel,” troostte Maarten.
„O, 't hoeft niet te wennen!” lachte Chita.
„Modern?” spotte hij. „Wil je naderhand geen kinderen hebben? Liever uit gaan en pret maken en geen handenbinders? Bah! als ik trouw wil ik een heele kazerne hebben. Leuk, zeg! zoo'n heele troep, die met elkaar joelen en vechten en samen opgroeien."
„Kom jij uit een groot gezin?" vroeg ze en ze lette niet eens op, dat ze zijn voorbeeld gevolgd had en ook „jij" zei,
„Neen, jammer genoeg niet, maar hier op het dorp, waar meest groote gezinnen zijn, heb ik het fijn ge