183
„Straks komt moetie. Wil Japie wat drinken?” „Boe-oe-oe!” balkte Japie.
„Neem 'm uit z’n bedje,” ried Maarten. „Misschien prikt 'm een speld.”
Chita, onhandig, tilde Japie uit het bedje, Z'n warme, natte kopje leunde hij tegen haar wang en hij snikte wanhopig.
„Wat moet ik nou met hem?” vroeg Chita onbeholpen.
„Kijken of hij een schoone broek moet hebben!” schaterde Maarten. „Toe, vooruit! heb je nooit een broertje of zusje geholpen? Nou, kom dan maar hier, zal ik het doen.”
Kee die in de deurpost stond, beweerde beschaamd, dat z ij alleen maar handen had om te koken en dat ze niet gewend was kleine kinderen te helpen en dat ’t merakel was, want dat ’t jog nooit ’s avonds wakker werd.
„Zwaai maar af!” commandeerde Maarten. „Ik zal me wel redden. Vooruit, handige juffer Chita, zoek een schoone luier!”
Maarten, of het zijn dagelijksch werk was lei een kussen op tafel, pootte er Japie op en maakte de natte luier los.
Onder veel malle geluiden en grimassen kreeg hij Japie zoo ver, dat het snikken bedaarde en zelfs alweer een lachje op z'n ronde bakkesje verscheen.
„Hondjes woef, woef! katjes mauw, mauw! geef op die luier. Wacht, is er niet zooiets van een poederdos, Hier, jong! een lading poeder! Lekker liè? Zoo,