182
„Heb ik veel te laat ingezien hoe'n erge goede moeder i k wel heb."
„Houd haar in waarde, 't is zuur hoor! als ze er niet meer is."
„Als moeder weer hier is, moet u eens kennis met haar maken."
„Dolgraag! ik kan er nog best een moeder bij gebruiken. Kom dan eens met haar bij me, misschien vindt ze ’t wel aardig al de gekke dingen te zien die ik van mijn reizen heb meegebracht,”
„Ze zal het fijn vinden.”
„En u?”
„Och, ik offer me wel op!"
„Goeie ziel!"
Er werd geklopt en Kee stak haar hoofd om de deur.
„Juffrouw Chita, Japie huilt zoo vreeselijk. Ik ben al bij 'm geweest, maar hij schreeuwt maar om mevrouw. Hij wordt anders nooit ’s avonds wakker."
„Goeie hemel!” schrok Chita. „Wat moeten we daarmee aan?”
„Ga maar mee," lachte Maarten. „Ik zal 'm wel zoet krijgen!"
„Och loop heen! ik zal wel even gaan."
Ze holde naar boven, gevolgd door Maarten,
Japie, rechtop in z’n bedje, met een snuitje zoo rood als een kreeft, schreeuwde erbarmelijk,
„Japie! wat is er dan, kereltje?" vroeg Chita en ze boog zich over het ledikantje.
„Moe-oe oe tie! moe-oe-tie kom me!"