180
jolig geconstateerd: „dit is dè pang, nu ben je er bij, ouwe jongen!”
Evenmin had hij zich afgevraagd, of het pedant van hem was, zoo vast aan te nemen, dat Chita eveneens getroffen was door dat wat hij dè pang noemde.
Och, natuurlijk, ze had zich al die jaren vermaakt met het soort joggie’s, zooals het onmogelijke kereltje, dat haar dien avond was komen halen. Gek, hij had den vent volgaarne in een hoek getrapt! En ook begrijpelijk dat ze in de omgeving waarin ze tot nogtoe geleefd had — mevrouw dokter had hem dat allemaal verteld — die oolijkerd had hem door! — geworden was tot een van die akelige weelde-poppen, die hij in z'n hart verfoeide. Maar had hij niet met vreugde gezien, hoe ze veranderde, en geen behoefte meer scheen te hebben aan al dat gepronk met mooie kleeren.
Zelfs het poederdonsje gebruikte ze niet meer zoo vaak. Voor zijn part mocht ze het, want ze deed het gratieus, met distinctie, heel anders dan Mientje of Ella, die hun voorgevels onbarmhartig konden inkalken.
En hoe kon het ook anders, dacht hij met trots, dat de pure lucht, het eenvoudige leven van „zijn dorp", de geheele gezonde omgeving, het meisje veranderd hadden. Maarten's liefde voor het dorp en de inwoners ervan was groot en on veranderlijk. Dat hij er niet eeuwig kon blijven hangen, kwam door den lust naar avontuur, die hem van jongsaf in het bloed had gezeten. Eigenlijk was deze hang naar het