178
„Toe, Marijke, zing 't nog eens, ik vind 't zoo'n aardig liedje."
Maar Marijke, in d’r kuif gepikt, zei:
„Ja, reken moar! ik zal me door jou laten uitlachen. En ik doen 't vast niet op Rederijkers. Motten ze ’t Sien van de Bul maar vragen."
„Marijke, doe niet zoo dwaas,” beknorde Chita haar. ,,'t Ging al best, je zei de woorden alleen maar omgekeerd. Luister nou: 't is perruque noir, pour tout le soir. Toe maar, we doen net of er niemand in de kamer is."
Weer speelde Chita de begeleiding en weer begon Marijke te zingen, en dezen keer tot volle tevredenheid van haar klein auditorium.
,,'t Gaan nou best, ook Maarten?" vroeg ze.
Chita draaide zich om op den pianostoel.
„Wat klinkt dat toch typisch dat vragende „ook"," zei ze.
„Ja, dat is ons dorps-taaltje, ook Marijke?" lachte Maarten. „Maar, vertelt u eens, juffrouw Weldam, waar is de goê gemeente heen?"
„Naar de Bios. Er gaat, geloof ik, een spannende film."
„Nou, reken maar!" zei Marijke. „Ik hêt 'm zien. Tju! eenig! nou, ik gaan huis toe. En je wordt bedankt, juffrouw Sita."
„Morgen hoor ik of je de woorden nog goed kent. Dag Marretje!"
Ze hoorden haar op den weg nog oefenen op de blonde en de zwarte pruiken.