172
schrijlings op een stoel gezeten, z’n wit steenen pijpje in den mond, de klare staal-blauwe oogen ver, ver weg, als zag hij dat alles nog eens. ,
Een keer — hij vertelde van het leven der pin-guins, hoe hij ze gade had geslagen en gezien had, met eigen oogen, hoe een mannetjes-pinguin een huwelijksaanzoek deed aan het vrouwtje en daarbij een stukje glas liet glinsteren voor haar oogen — had hij haar kant uitgekeken en licht spottend gezegd: „Zoo'n mannetjes-pinguin ziet er dan net zoo correct en fattig uit, als sommige van die leeghoofdige nietsnutten van menschenkinderen met slobkousen, die zoo tiré a quatre épingles zijn! En het wijfje? Verschilt het eigenlijk veel van het mensch-wijfje? Het laat zich even goed vangen door glinstering van juweelen en luxe."
Rustig was hij weer verder gegaan en dien avond had hij haar kant niet meer uitgekeken.
Chita was vroeg naar haar kamer gegaan en daar had ze zitten werken, tot ze de huisdeur in het slot had hooren vallen en Maarten's veerkrachtige stappen door den stillen avond weerklonken.
Ze was naar het balcon gegaan en had hem nagezien, zooals hij daar ging, kaarsrecht, het fiere blonde hoofd opgeheven, naar den maanverlichten avondhemel.
En ze had het opeens geweten, dat er voor den eersten keer in haar leven iets in haar was opengebloeid, dat ze nooit eerder gekend had en dat haar vervulde met angst en blijdschap.