171
in moeder’s schoot, en telkens had een hand liefdevol over haar donkere lokken gestreken.
Waren ze elkaar ooit zoo nabij geweest als op dien dag?
Moeder had zoo genoegelijk verteld, en zij, Chita had zoo gretig geluisterd naar al die verhalen van jonge liefde en opbouwen van het jonge huishouden.
Gek, dacht ze, dat al m'n ideeën van vroeger over verloofd zijn en trouwen veranderd zijn.
Vroeger — ze lachte zachtjes — toen waren m'n idealen: een rijke, elegante man, een two-seater, een rij-paard, en vele buitenlandsche reizen, naar mondaine oorden, natuurlijk.
Ik zag me zelf altijd als een heel elegant, bewonderd wezen, met een schep bewonderaars er om heen!
En nu?
Er zijn van al die idealen alleen overgebleven, de buitenlandsche reizen. Niet naar mondaine oorden, maar ver, ver weg, naar China en Japan, naar Britsch-Indië, naar.... de Noordpool voor mijn part!
Weer lachte ze en haar oogen dwaalden naar het huis met de hooge mast, dat bijna niet te zien was door de zeedamp.
Als Maarten vertelde van z'n reizen — mevrouw dokter had hem toch weten over te halen dit te doen — o, hoe verlangde ze dan al dit machtig schoone met eigen oogen te aanschouwen, Had ze niet ook „an z'n lipp'n gehang'n" net als Koos en alle anderen?
Zoo eenvoudig weg had Maarten zitten vertellen,