169
van alle dorpelingen. En Marijtje dan? ze zou terug verlangen naar haar zangerig accent, haar vertrouwe-lijk je en jou.
Chita’s pen had het hard te verduren, nu haar tanden die stevig bekauwden.
Waarom wilde ze 't zichzelf niet toegeven, dat er één in het dorp was, dien ze het meest van allen zou missen, zóó, als ze niet gedacht had ooit iets in haar leven te missen?
En die eene was, na haar autorit met Tom, stug en onvriendelijk geworden. Hij keek haar voorbij, als hij in het doktersgezin was en hij vermeed 't het woord tot haar te richten.
Toch voelde ze, dat zijn blikken vaak op haar rustten maar als ze plotseling opkeek en zijn oogen ontmoette, dan waren die als staal, hard en vlijmend. Dan wilde ze de kamer verlaten en naar boven gaan, maar ze kon niet. En ze breide maar door, gejaagd, onrustig, zich afvragend, waarom hij zóó koel naar haar keek, zoo opzettelijk onverschillig deed.
Natuurlijk, ze had zich dien avond mal aangesteld en toen ze thuis kwam, en Maarten nog in de huiskamer vond, had ze, ondanks haar ontstemming, druk en overhoop gedaan en gezegd, dat die auto-rit haar opgefrischt, verkwikt had en ze nu weer den moed had in dit onherbergzaam oord te blijven. Ze had zijn verontwaardiging gevoeld en die had haar goed gedaan. ’t Was immers haar bedoeling geweest hem te kwetsen. Maar 's avonds in bed, had ze gehuild en eigenlijk niet geweten waarom ze huilde, maar ze had