HOOFDSTUK VIII.
Chita zat in haar kamer en werkte ijverig aan een Engelsch opstel over Shelley.
„Fijn schiet ik op," dacht ze. „Als ik zoo blijf werken en in het voorjaar een paar maanden naar Engeland ga, dan ziet 't er misschien nog zoo slecht niet uit voor m’n examen."
Ze hield even op met werken en tuurde naar buiten. Er was zeedamp en de duinen lagen in grijze sluiers gehuld. Onophoudelijk liet de brulboei haar klagend geluid hooren.
„Gek, dat je hier zoo went aan geluiden. Vroeger had die brulboei me dol gemaakt en nu weet ik, dat ik die missen zal, als ik eenmaal hier vandaan ben."
Chita had plotseling het gevoel of er een koude rilling langs haar rug liep.
Eenmaal hier vandaan! Ze kon er zich niet indenken, Weg van het rustige plaatsje, waar ze zich zoo wonderlijk thuis voelde, van het dokterspaar waar ze zich aan gehecht had, van Koos en Mientje, die ze graag mocht. O, ze wist zeker, dat ze in de stad den groet zou missen van Barend Urk, het oude, vroolijke schippertje, van den postbode, van.... och eigenlijk