165
„Da-je daar allemaal niks van verteld hebt!" zei Koos verontwaardigd.
„Juffrouw Weldam vond 't misschien niet zoo aardig," veronderstelde Maarten,
„Och neen, niet om zóó over te roepen,” zei Chita koel.
De schelle kreet van een claxon weerklonk op den stillen weg,
Chita vloog naar het raam.
„O! Tom!” riep ze overdreven verrukt.
Een hel-blauwe two-seater stopte voor het doktershuis en Tom, correct van kop tot teenen, in donker costuum met lichtgrijzen vilthoed, lichte handschoenen en dito slobkousen, stapte uit de auto, op het doktershuis toe.
Chita wuifde uitbundig en holde dan naar de deur om hem binnen te laten.
In de gang hoorde men haar vroolijk praten. Dan kwamen ze samen binnen en stelde Chita voor,
„Wil je hier even blijven wachten, Tom? ik ben in drie tellen klaar."
Dokter Boomstra fronste licht de wenkbrauwen.
„Ga je uit, Chita?”
„Ja, dol!" ze voelde hoe bakvisch-achtig ze deed, maar 't kon haar niet schelen, ze wilde overmoedig doen. „We gaan wat rijden en dan ergens heen.”
„Ergens waar licht, dans en muziek is! schreef je het niet zoo?" lachte Tom. Chita had 'm kunnen vermorzelen en ze had ook kunnen huilen en stamp-