159
Ze ging den brief posten en toen ze langs Maarten's huis ging hoorde ze tweestemmig zingen:
„Waar de blanke top der duinen, schittert in den zonnegloed. En de Noordzee vriendelijk bruischend Neerland's smalle kust begroet."
Twee heldere jongensstemmen, frisch opklinkend uit den tuin.
„Maarten werkt het feest-programma af,” dacht ze wrevelig.
Op het kleine postkantoortje ontmoette ze Marijtje, het tweede meisje, dat een gezellig praatje hield met de vrouw van den postbode.
Marijtje, — blond, aardig zeventienjarig tuinders-dochtertje — had een ware vereering voor Chita en ze vermaakte alle vrouwen uit het dorp met de wonderbare verhalen van „de jurken en hoeden en verdere snorrepijperijtjes van de juffrouw”.
„Dè juffrouw,” zei ze en er lag een groot respect in die woorden. Ze had het gemeenlijk over Koos en Mientje en „die oude tang” waarmee ze weinig respectvol, mevrouw Verduynen bedoelde en „het verwaande endje mensch” — betiteling voor Ella Marens —, maar de juffrouw! neen, die kon je geen Sita noemen, mensch, ze zou 't niet durven!
Chita had schik in het blonde kind, dat altijd zoo opgewekt was en het als een soort eer beschouwde als ze iets voor haar mocht doen.
„Zoo, Marijtje,” zei Chita plagend. „Ben je ontsnapt aan het strenge gezag van Kee?"