160
„Ja, reken maar!" lachte Marijtje, „Ik most 'n brief voor d’r poste. Anders is ze ook zoo lekker niet om me een uitje te gunnen! Juffrouw, zal ik je iets vertellen?" ze vroeg het op het zangerige toontje, dat haar eigen was. „Ik krijg een groote rol, bijna zoo groot als de meid van Pleun van Arend. Is ie effetjes?"
„Een rol?" vroeg Chita verbaasd.
„Ze is er vol van,” lachte de vrouw van den postbode. „Ik heb 't ook al moeten hooren.”
„Nou mensch, je begon d'r eiges over,” snib'de Marijtje,
„Maar wat is dat nu met die rol van je?” vroeg Chita.
„Op rederijkers! einde October moeten we speulen in ’t Groene Duin. Ik moet een Fransch liedje zingen. Mensch, ik hou me hart vast! Ik ken bot geen letter Fransch.”
„Zal ik je wel helpen,” bood Chita aan. „Ik zal maken, dat je het liedje zingt als een echte Fran-9aise.”
„Is 't meenens?” vroeg Marijtje, de groote, blauwe oogen in één straling op Chita gevestigd: „dan zal ik voor de juffrouw een bos blommen uit den tuin van vader meebrengen, waar de juffrouw bot van op zal kaiken. En ik zal maken, dat u een karetje voor de uitvoering krijgt ook, da's vast!”
„Zoo,” dacht Chita, toen ze naar huis terugwandelde. „Nu houd ik er ook een beschermelingetje op na, en ik vind, dat het mijne heel wat aardiger is,