157
„Dan maar gauw naar boven, meisjelief," zei hartelijk de doktersvrouw, „Ik kom je straks even temperaturen."
Chita was blij, dat ze naar boven kon gaan. Dat vervelende gezwam over Maarten maakte haar zeeziek.
Langzaam kleedde ze zich uit en toen ze in de gemakkelijke zijden kimono op het balcon van haar kamer stond, om zich neer te vlijen op den ruststoel, dwaalden onwillekeurig haar oogen af naar de hooge mast op het duin achter Maarten’s huis. In het kraaiennest zag ze een groote en een kleine figuur staan, ieder met een scheepskijker uitturend naar zee,
„Maarten met z'n schaduw!" spotte ze en ze keerde geërgerd het hoofd af.
„O, wat verveelde ze zich hier! en er kwam niemand van thuis opdagen. Wat had ze aan al die ellenlange epistels waar ze haar mee overstroomden. Er was geen mensch, die haar in deze eenzaamheid kwam opzoeken! Als er vandaag niemand kwam, zou ze opbellen. Misschien was er een ziek! ze zou Tom schrijven, dat hij komen moest met de two-seater. Ze wilde rijden, uren lang, stuiven langs velden en wegen, in wilden rit!
De kerkklok sloeg vijf heldere slagen, toen Chita uit een zwaren slaap ontwaakte.
„Goeie hemel, heb ik zóó lang geslapen? en niemand is me voor de thee komen roepen! Natuurlijk is Maarten er en hangt de heele kluit aan z'n lippen.”