156
Chita liep langs een omweg naar huis terug. Haar prettige stemming van al die dagen was volkomen bedorven. Ze voelde weer iets in zich komen van de oude Chita,
Die Maarten ook! een onmogelijke vent met z'n vereering voor dat brutale jog! en die intimiteit met de badvrouw! hij voelde zich natuurlijk zoon beetje den aangebeden vorst op het kleine dorp, den vorst, die zijn beminnelijkheid uitstrooit over de domme bevolking. Niets dan ijdelheid! Z ij zou niet meedoen aan die malle dweperij. Zij zou hem laten voelen dat zijn heldendaden niet den minsten indruk op haar maakten. Niets zou ze den huisgenooten vertellen van haar ontmoeting en dan naderhand doen alsof die niet den minsten indruk op haar had gemaakt. En dat had 't ook niet! Misschien was ze even getroffen door de kracht, de blijheid, die er van hem uitging, toen hij van het duin naar beneden holde, en naderhand, zooals hij liep met het boerenjog op z'n schouders, maar dat was dan ook alles. Wat een handen had hij! ruwe, gehavende vingers en botte nagels. Handen om van te griezelen! Aan de koffietafel liep het gesprek steeds over Maarten. Of iemand ’m al gezien had. Wanneer hij komen zou? of hij niet veranderd zou zijn.
„Je moest vanmiddag maar eens thuis rusten," zei dokter tegen Chita, die lusteloos in haar stoel zat en bleek zag.
„Ik heb misschien wat te lang in de zon gelegen, ik heb hoofdpijn/'