153
maar een heel natuurlijk blosje. Neel werd een oude teut, en dat andere wat ze vertelde zou misschien ook niet waar zijn. Wat kon het hem au fond schelen, al had het kind met heel Europa geflirt!"
„Was het water goed van temperatuur?” vroeg Chita.
„Mij wat te lauw. U moet denken, ik zwem hier hartje winter ook, en dat al van m’n prilste jeugd af. Wij Oosterwijck's zijn geboren waterratten. Mijn vader zwom op z'n zeventigste nog tegen een jongen van achttien op.”
„Ik verlang zóó weer te mogen zwemmen,” klaagde Chita.
„Mag het dan niet? Wie is de wreedaard, die het u verbiedt?"
„Uw vriend Boomstra. Maar niet zonder reden, ik had pas longontsteking.”
„Ai! ja, dan is het beter nog wat te wachten met baden. Dan zijn zonne-baden beter voor u."
„Maarten!" riep Sijmpie, van de schuur af. „Hê-je al reepen 'kocht?"
„Drommels! vergeten! kom maar hier, zal ik je geld geven."
„Die Sijmpie is geloof ik een erge tiran," zei Chita, die het jog vervelend begon te vinden.
„Welneen," zei Maarten gemoedelijk. „Het behoort tot het vaste programma, een soort viering van m'n terugkomst."
Sijmpie, de bruine hand uitgestrekt, stond al voor hem-