150
late badgasten, maar van het tweetal geen spoor.
Ze moest maar even haar ligstoel uit de schuur gaan halen.
Toen ze aan de houten loods kwam, waarin Neel de badvrouw met haar staf van badlui resideerde, hoorde ze smakelijk lachen en de stem van Neel die gierde: „Maarten, skei er mee uit, ik stik temet van de lach. Denk je da’k alles g'loof wa' jij me daar vertelt, Ik kan 't je toch niet waar maken wat daar an de Noordpool gebeurt."
„Neel, heb ik je ooit voorgelogen?" hoorde ze Maarten vragen,
„Of je! lillike vent! da-je nog zoo'n klain broekie waar? stong je me al te beduvele. V'ruit skiet op met je kano, ik hè geen tijd tijd voor je."
„Neel, krijgen we straks een bakkie troost van je?" bedelde Maarten.
„Hêt Joseph ze vrouw 't te drok om koffie voor je te zetten? Nou, v'ruit maar, straks kan je je bakkie komme halen."
„Zeg Neel?"
„Nou, watte?"
„Als je van de week 'n avondje tijd hebt, kom dan met Klaas bij me, ik heb wat voor jullie in m'n koffer zitten."
„As 't maar wat goeds is! Nou me komme, hoor! vast! En juffrouw?" haar toon werd respectvoller toen ze Chita zag.
„Je ligstoel? fijn weertje, hè? daar moet u flink van worden. De zeelucht is beter dan melk en eitjes.