149
Chita en ze had het gevoel of een frissche zee-wind langs haar heen was gestreken.
Ruff, sprong op en luid keffend z'n meester achterna.
Chita probeerde nog hem terug te roepen en te lokken met lieve woordjes, maar Ruff keek niet meer naar haar om.
„Dat is nu Maarten!" dacht Chita toen ze weer alleen in de duinpan lag. „Maarten, die menschen redt, die er een groote en kleine villa op nahoudt en die zooveel van z'n reizen kan vertellen, dat menschen aan z'n lippen hangen! en diezelfde Maarten ziet er uit als een gezonde, fiksche buitenjongen en is koek en ei met een jog als Sijmpie, Wonderlijk!" Ze dacht op eens aan Koos' woorden: „wacht maar tot je 'm gezien hebt, dan....” die Koos! mal wicht! 'n aardigen, feilen kop heeft ie, die beroemde Maarten, Als ie niet zoo bruin gebrand was en z'n haren zoo gebleekt, waarbij die groote, staal-blauwe oogen zoo wonderlijk afsteken, dan zou ie een gewone knul met melkboerenhondenhaar en fletse oogen zijn, Z ij kon niet zoo gauw dwepen! ze was veel te practisch aangelegd. Ze kon zich best voorstellen, dat meisjes als Koos en Mientje direct weg waren van een type als Maarten van Oosterwijck. Maar zij.... Ze moest toch maar eens gaan kijken hoe het stel daar in zee kano'de. Ze pakte haar Engelsche leerboeken bijeen, klom kalmpjes het duin op en tuurde naar de zee. Neen, ze zag nog niets. Waar zou het stel zijn? Ze daalde naar beneden. Op het strand zaten eenige