147
den indruk van een feilen bruingebranden kop, met helblonde haren, een lachenden mond met groote witte tanden. De hond, die met dolle sprongen het duin afrende, kwam precies terecht op het plekje waar Chita lag.
Het was een groote, gitzwarte chow-chow en Chita, die het: houd hem! houd hem! had gehoord, pakte hem bij z’n halsband en dwong hem tot staan blijven.
Nu kwam z'n baas, die nog even kopje over was geslagen, naar haar toe en riep angstig: „Laat hem los! hij is niet te vertrouwen!"
Maar de hond legde zich rustig bij Chita neer, en liet zich gewillig over z'n mooie vacht streelen.
„Van Oosterwijck," stelde hij zich voor en Chita noemde eveneens haar naam.
„We hebben u zoo wat onder het zand bedolven," zei hij. „Ik vraag u beleefd excuus."
„’t Is een vervroegde voorstelling,” lachte Chita. „Ik ben huisgenoote van dokter Boomstra.”
„Wel, dat is toevallig. Hoe maakt het dokters-paar het?"
„Uitmuntend. Er is algemeene vreugde in den huize Boomstra over uw komst."
„Maarten! ga je nu mee?" riep een ongeduldige stem en een ondeugende jongenskop dook achter een duintje op.
„Da's Sijmpie van Japie van Krelis!” lachte Chita, die den ballenjongen van de tennisbaan herkende en het verwonderde haar, dat het boerenknulletje op