146
Ik kan 'm nu al niet uitstaan! Zeker zoo'n aanstellerig, buitenissig rijkelui’s zoontje, dat eens een beetje anders wil doen dan anderen. Ik ken dat!"
„O! O!” jammerde Koos. „Maart'n aanstellerig! Mèske, mèske, je zult 't je vast nog berouw'n wat je daar gezegd hebt.”
Koos vertrok beleedigd. Ze had zich zooveel voorgesteld van haar verhaal aan Chita. Eigenlijk was 't haar een gruwel, dat ze Chita nooit iets kon vertellen dat haar belangstelling opwekte.
Het meisje stond immers — hoewel ze veel jonger was — in levenswijsheid ver boven haar. Koos had met Maarten willen geuren, ze had gehoopt Chita nieuwsgierig te maken en nu....
„Bah,” dacht ze, ,,'t is een verwende prinses en ze heeft een afschuwelijk air over zich.”
Maar geen vijf minuten later was ze haar boosheid weer vergeten en holde ze ten tweede male naar boven, om Chita de post te brengen.
Eenige dagen later, toen Chita lag te stoven in een duinpan — een verrukkelijk plekje aan den voet van een reeks hooge duinen — hoorde ze opeens vroo-lijke jongensstemmen, het keffen van een hond en dan holden van het duin vlak bij haar twee jongens naar beneden, een groote en een kleine, gevolgd door een zwarten hond.
„Maarten! Maarten! houd 'm! hij loopt vast weg, man!” riep een stem, die haar bekend voorkwam.
Toen rende de groote jongen in een vaart naar beneden, met wijd uitgespreide armen en Chita kreeg