144
wang lag en deed toen iets, dat Chita hem nooit vergaf en hij beter had kunnen doen vóór hij z'n entrée in de eetkamer maakte. Chita liet hem bijna vallen van schrik en mevrouw dokter met een: „Foei, vieze jongen!" pakte hem gauw van haar aan.
De heele vrouwen-kolonie nam Japie's verdediging op zich en Koos, gierend van pret zei:
„Wel net goed, omdat je niet van kind'ren houdt!"
Toen Chita, die woedend weggehold was, in een andere jurk weer aan het ontbijt verscheen, was de aandacht van haar afgeleid, door een brief, die dokter juist open had gesneden en waarbij mevrouw Boomstra verheugd had uitgeroepen:
„Een brief van Maarten? dat is fijn! wat schrijft hij, man?”
«Hij is op weg naar Holland,” zei dokter, die geamuseerd den brief doorlas.
Wie Maarten zou zijn? dacht Chita. Misschien een broer van dokter. Zijn aanstaande komst scheen in ieder geval veel vreugde te brengen, want het dokterspaar keek verrukt,
„Och!” kreet Koos. „Komt Maart'n? Wat zal ie weer veel te vertell'n hebb’n."
Dokter werd weggeroepen, mevrouw ging zich aan Japie wijden en er werd verder niet over „Maarten” gerept.
Maar toen Chita dien avond in haar zitkamer lag te lezen, klopte Koos van Veen bij haar aan.
„Ik moet ev'n bij je komm'n praat'n,” zei Koos en zette zich schort-krakend bij Chita neer.