143
schattig, mollig kereltje van één jaar, Japie Meeters,
„Ik houd niet van kleine kinderen, ik vind ze vies!" zei Chita, toen de doktersvrouw den tweeden morgen van Chita's verblijf, met Japie op haar arm, aan het ontbijt verscheen en ze hem Chita voorhield om z’n mollige pootje te pakken.
Koos, die veronderstelde, dat Chita hem in extase zou omhelzen, riep al:
„Niet kuss'n, kleine kinder'n mog'n niet gekust word'n!”
„Hij mag even bij de nieuwe tante op schoot zitten," had mevrouw dokter gezegd en toen ze het dikke beertje op Chita's schoot wilde planten, had het meisje de woorden gesproken, die haar bijna de ongenade van het heele gezin hadden gekost.
Japie voelde niets van deze antipathie en hij strekte de kleine handjes naar Chita uit.
„Och, kijk toch eens! zoo lief is hij nooit tegen vreemden."
„Ta-ta-hontie Japie!"
„O, je moet z'n wollen hondje zien," lichtte mevrouw dokter toe. „Mag hij niet even bij je, Chita?"
„Ik weet niet hoe ik zoo'n kind moet aanpakken," rilde Chita en ze stak haar handen uit naar Japie, of ze iets aan moest vatten, dat heel vies en heel griezelig was.
Japie troonde zielsvergenoegd op haar schoot, begon den langen kralen ketting te bekluiven, dien ze om had, speelde met de donkere lok, die op haar