HOOFDSTUK VII.
Chita was nu al een week in het doktershuis en begon aardig te wennen aan het rustige leven.
Het weêr bleef onveranderlijk mooi en ze lag nu iederen dag aan het strand, zich badend in het zonnetje, en haar wangen, donkerder getint nog dan anders, hadden een zacht blosje gekregen.
Met de huisgenooten begon ze vrij aardig op te schieten, vooral, omdat ze steeds weer bedacht, dat ze eigenlijk allen te beklagen waren.
Onder mevrouw Verduynen's leiding breide ze een jumper, waarmee ze zoozeer haar hart stal, dat ze Mientje toestemming gaf af en toe een uurtje op Chita's kamer door te brengen.
Dit waren voor het streng gehouden meisje, dat gewend was aan moeder's leiband te loopen, ware geluksuurtjes en niets vond ze prettiger, dan Chita's garderobe te bekijken en te betasten, of haar sieraden aan te passen.
Vroeger zou Chita voor een meisje als Mientje niet het minste geduld gehad hebben, maar na de verandering, die het ziek-zijn bij haar teweeg had gebracht, was ze zachter, meevoelender geworden en ze sloofde zich uit om het Mientje naar den zin te maken.
i