140
slagen liet hooren. Tien uur pas! wat ging de tijd hier langzaam om. O, ze zou zeker den geheelen nacht wakker liggen, Zou er niemand op deze étage slapen? 't Was zoo vreemd, dat ze geen geluid hoorde. Daar begon die vervelende prikkelhoest weer. Zou ze weer geheel beter worden? Wat bedoelde Koos van Veen toen ze zei: „Met long'n moet je oppass'n"? Zou ze nu voortaan moeten leven als een kasplantje? en zou ze iederen winter hier een rustkuur moeten doen? kon ze maar slapen! ze lag nu zeker al een uur wakker. Ze keek op het klokje naast haar. Kwart over tienen! o, 't was om gek te worden, de tijd wilde niet voortgaan. Wat hoorde ze daar voor een akelig geluid? Kermde er iemand? o, jakkes, ’t scheen van buiten te komen! och, maar hoe kon ze zoo dom zijn, 't was de brul-boei die ze hoorde, Hoe laat moest ze morgen ook weer aan het ontbijt zijn? half negen. Eigenlijk bespottelijk vroeg! en als je dan nog den halven nacht wakker lag.... zou er gauw iemand van thuis bij haar komen.... welke dag was het vandaag.... Donderdag?.... het lichtte.... zou 't gaan onweeren?.... o neen, het licht van.... de vuurtoren.... morgen.... zou ze.... Toen sliep ze in en haar slaap die door geen hoesten verstoord werd, was vast en droomloos.