134
„Nou is ’t dan soms niet waar? Met long'n moet je oppass'n."
„Zoo, collega, deel je weer van je wijsheid mee aan anderen?”
't Was dokter Boomstra die binnen kwam en zich in het kringetje dames neerzette.
Heel geduldig hoorde hij de verschillende klachten van z'n patiënten aan. Eigenlijk vonden ze, dat, schoon ze den dokter in huis hadden, deze toch veel te weinig notitie van hen nam.
„En juffrouw Weldam? van u heb ik nog geen enkele klacht vernomen.”
„Ik lijd in stilte,” lachte Chita, waarop Koos van Veen in lachen uitbarstte en zei dat die nieuwelinge een leuk'rd was en ze het best met haar zou kunn'n vind'n.
Ella trallerde een aria uit „der Meistersinger”, waarbij de dokter een oolijk knipoogje met z'n vrouw wisselde. Mevrouw Verduynen breide in een helsch tempo en Mientje zuchtte.
„0, hemel, waar ben ik terecht gekomen,” dacht Chita, maar toch keek ze geamuseerd den dames-kring rond. Ze zou heerlijke brieven naar Titia en Eef kunnen pennen over den harem van dokter Boomstra!
Toen ze dien avond, na een eenvoudig maar stevig maal naar haar zitkamer terug was gegaan, ontdeed ze zich van het elegante gewaad en deed ze de zwart zijden pantalon en de hel-rood geborduurde Chi-neesche jas aan, in welk toilet ze in haar eigen