128
gauw u went aan de rust. Is ’t geen prachtig uitzicht? Vader en moeder moesten de mooiste kamer hebben voor het verwende dochtertje."
Chita lag zich inwendig te ergeren. Zoo graag had ze nu juist alleen geweest. Dacht die doktersvrouw dat ze haar het gezelschap van moeder en Titia kon vergoeden?
'n Echte pooteling, die vrouw! zoo iemand, die geen vermoeidheid kende, den geheelen dag trap op, trap af sjouwde en er 's avonds laat net zoo frisch uitzag als ’s morgens vroeg.
Ze keek, dacht Chita, met zoo'n beetje minachting neer op het bloed-arme futlooze wezen in den ligstoel. „Het verwende dochtertje"! hatelijk zei ze het!
Als Titia nu hier was, zou ze direct de partij opnemen van de doktersvrouw. Och, misschien was het mensch wel aardig, alleen ze moest haar nu met rust laten.
„Vanmiddag aan tafel zult u kennis maken met de andere patiënten,” vertelde mevrouw dokter, zooals de bevolking haar noemde. „De maaltijden worden gemeenschappelijk gebruikt.”
„Zijn er veel gasten.... patiënten?” verbeterde Chita.
„Met u mee zes. Daar is mevrouw Verduynen met haar dochter Mientje, Ella Marens, de zangeres, Koos van Veen, een verpleegster en dan schattige kleine Japie Peeters, een meneer van anderhalf jaar, de lieveling van het geheele gezin. De dames zijn alle