127
zeker van, maar ze is verstandig genoeg om dit niet te laten gelden. We komen allemaal vaak bij je Chiti, en we zullen je heele boekdeelen pennen. Toe, kijk nu niet zoo verdrietig, weet je nog ons gesprek van laatst?"
„Ach ja, maar wat geeft het allemaal, ik word misschien toch nooit beter!”
„Wat een nonsens!” lachte Titia vroolijk op. „Je bent eigenlijk al beter! ’t is alleen om die prikkel-hoest weg te krijgen en ook omdat je wat bloed-arm bent, dat je hier moet blijven. Toe, neem 't nu niet zoo zwaar op. Je kunt hier rustig aan je Engelsch doorwerken en je zult zien hoe gauw die paar maanden om zijn.”
De opgewekte stem deed weer wonderen en Chita zag al niet meer zoo héél erg op tegen de winterkuur, ze begon zelfs, met de oude opgewektheid, plannen te maken voor slede-vaarten en wandeltochten tusj schen de besneeuwde duinen, en Titia voorspelde, dat ze het heele dorp op z’n kop zou zetten, van den burgervader tot Blauwe Sijmpie!
Maar toen twee dagen later de auto met haar ouders en Titia vertrok en ze hen van het ruime balcon van haar zitkamer in het doktershuis nawuifde, toen voelde ze zich of ze alleen achtergebleven was op een onbewoond eiland en rolde er een traan langs de vermagerde wangen.
„Een beetje verdrietig?” vroeg de doktersvrouw, die een glas melk kwam brengen en plaats nam op den stoel naast Chita's ligstoel. „U zult eens zien hoe