126
lang zoo vreeselijk naar de stad terug. Ik heb me zóó op m'n thuiskomst verheugd. Al de kennissen, de gezellige avonden, mijn eigen kamer, die zoo knus is, de concerten, o, Titia, ik kan hier niet blijven, in dat akelige, stille zee-dorp, waar ik geen mensch ken. Ik d o e het gewoon niet! Ik zal vader zeggen, dat ik niet w i 1! Niemand kan me toch dwingen! Titia, toe, help me vader te overreden? Als jij zegt, dat het hier onhoudbaar voor me is, dan neemt ie me mee naar huis. Ik zal heel voorzichtig zijn. Als het niet goed voor me is, zal ik voor mijn part den ge-heelen winter nergens heen gaan, niet dansen, niets!" een droge kuch belette haar het spreken.
„Chita wind je niet zoo op," kalmeerde Titia, terwijl ze haar wat melk met Emserwater aanreikte. ,,'t Is niet zoo prettig, dat moet ik je toegeven, maar als je nu weet, dat je daardoor weer heelemaal kunt herstellen, dan doe je toch verstandiger je er bij neer te leggen. En de winter op zoo’n kleine plaats heeft toch een aparte bekoring. Je zult eens zien, hoe het je mee zal vallen."
„Moeder zal het ook ellendig vinden, dat weet ik zeker. Ze zal heelemaal niet gerust zijn als ik aan vreemden ben overgelaten."
„Ze zijn er nu samen heen om een mooie kamer voor je uit te zoeken."
„Heeft moeder direct goed gevonden, dat ik ging?" vroeg Chita één en al verbazing.
„Natuurlijk! als ze toch weet, dat het goed voor je is! ze zal het ook niet prettig vinden, daar ben ik