125
„Ja zeker, collega.”
„Maar dat is dan een prachtige oplossing. We laten deze bleekneus een half jaartje hier. Onder jouw toezicht knapt ze dan volkomen op."
„Maar dokter!” spartelde Chita tegen. „Ik hier achterblijven? Ik knies me hier dood!"
„Wat dacht je dan, meisje? dat we je meteen weer naar die stoffige, roezemoezige stad terug lieten gaan? Je hebt een stevig stootje gehad, juffertje, en het is hoog noodig, dat we wat kalm aan doen met jou. Dus geen tegengepruttel, maar rustig doen wat het beste voor je is. Trouwens, je zult het bij dokter Boomstra erg genoegelijk hebben. U is het toch eens met mijn voorstel, meneer Weldam? en u, mevrouw? U zult uw meisje dan voor een tijdje moeten missen; u moet maar denken, het had erger kunnen zijn, nietwaar? Dat is dus afgesproken. En nu maar zoo gauw mogelijk uit dit unheimische, leege hotel en onder de beschermende vleugels van dokter Boomstra en zijn vrouw.”
Toen de doktoren weg waren, bleef Chita verslagen op den divan liggen. Het huilen stond haar nader dan het lachen.
Titia, die wat in de kamer opruimde, zag het bedrukte gezicht, maar vond beter nu niets ter op-vroolijking te zeggen. Arm dier, 't was geen prettig vooruitzicht voor haar. Ze moesten haar maar allemaal met bezoeken en opgewekte brieven door dien eenzamen tijd zien heen te helpen.
„Titia," klonk het bedrukt van den divan, „Ik ver