124
En de meisjes achter het raam wuifden, wuifden, tot er niets meer te zien was van het vroolijke troepje, waar ze zulke gezellige dagen mee hadden doorgebracht.
Toen Chita — 't was op een zomersch-warmen dag in de helft van September — eindelijk voor de eerste maal beneden mocht komen, was er niemand meer over van de hotelgasten om haar geluk te wenschen met haar herstel.
Want het seizoen was geheel voorbij en de Gérant verbeide met ongeduld het moment waarop de familie Weldam zou vertrekken, waarna hij het hotel zou kunnen sluiten om den weldadigen winterslaap in te kunnen gaan.
Alleen het echtpaar Weldam en Titia waren met Chita achtergebleven. De tweelingen logeerden bij de van Haren's en Wim was de gast van de van Eerden’s, net zoolang tot Chita weer zoover hersteld was dat ze naar huis terug mocht.
Het was een prachtige Septembermaand en Chita, die een huiskleur had gekregen, begon te snakken naar de buitenlucht.
Eindelijk daar kwam dan de specialist en tezamen met dokter Boomstra werd nu geconfereerd wat er met het meisje, dat, schoon geheel genezen, wat bloed-arm was gebleven, moest geschieden.
„Ik zou haar heel graag nog wat buiten houden," zei de specialist. „De lucht hier is zuiver en sterkend. Maar daar valt me iets in! jij neemt toch herstellenden op, nietwaar, Boomstra?"