118
in je sluimerde, wakker geroepen en geloof maar niet, dat je zoo gauw zult vergeten hoe dicht je was bij dat, waarvoor we, als het zoo onverwacht komt, nog lang niet klaar zijn.”
„Ik was er niet klaar voor, Titia, zooveel anderen wel. Maar ik zal probeeren, er aan te blijven denken, zooals ik er in deze laatste dagen zooveel aan dacht. Telkens als ik weer terug val in m'n zelfzuchtige, m'n dwaze, hoogmoedige buien, dan zal ik weer denken aan dat zwarte, diepe, waar ik bang voor was en....”
„En nu ga je rusten. Ik ga de kamer donker maken en je krijgt je poeder. Ik ben een slechte verpleegster, 't is al tien minuten over je rusttijd. Hier meisje, slik in! een slokje water toe en nu slapen, hoor! Droom maar fijn, je hebt nu nog den tijd om te droomen,”
Ze schoof de gordijnen dicht, en trok dan nog eens het dek behoedzaam over Chita's schouders,
„Titia!”
„Ja, babbelkous?”
„Ik ben je zoo dankbaar. Je hebt me zooveel goed gedaan. En ik ben zoo vaak leelijk tegen je geweest,” „Niets van gemerkt, hoor! Nacht, kleine donna, slaap lekker.”
„Nacht!”
Met een zucht, deels van tevredenheid, deels van vermoeidheid vlijde Chita het donkere hoofd in de mollige kussens.