117
benijdde hem z’n vrij-gevochten leven en ik wilde niet aannemen, dat het alles echt bij hem was. Als je zooveel tijd hebt om te denken, Titia, wat er dan alles door je hoofd gaat! ik heb me soms zoo allerellendigst gevoeld, zoo.... hemeltje, als je zoo dichtbij.... nou ja, ik heb heusch wel geweten, dat ik erg ziek was.... Titia, weet je waar ik zoo bang voor ben?"
Rustig ging de naald door het werk en de klare oogen keken niet op.
„Ik ben bang, dat ik nu nog inzie hoe niets m'n leven is geweest, dat ik nu nog vol goede voornemens ben, maar dat alles voorbij zal zijn als ik weer terug ben in stad en het gewone leventje van uitgaan en pretmaken weer gaat beginnen. Nu is alles zoo mooi. N u koester ik me in al die goede zorgen van moeder en jou. N u ben ik zoo dankbaar voor alle bloemen en vruchten, die de goede vrienden me zenden. Nu nog vind ik het zoo fijn als vader bij m’n bed zit en met me praat of ik een klein meisje ben. Maar naderhand, dan komt de zucht weer naar pret, naar mooie kleeren, naar behagen! Titia, denk je, dat het kan blijven zooals het nu is? Ik ben er zoo blij mee, en ik ben bang om naar beneden te gaan, bang, om het te verliezen."
„Je zult het niet hoeven te verliezen, Chita," zei de rustige stem, waarnaar de zieke zoo graag luisterde en die haar vaak gekalmeerd had als ze benauwd en opgewonden was. „Geloof maar gerust, dat je ziek-zijn je goed heeft gedaan. Het heeft, wat