HOOFDSTUK VI.
Het seizoen was afgeloopen en de kring, totnogtoe voltallig, begon ook dunner te worden en het mee-rendeel van de vroolijke jongelui waren terug naar hun woonplaats, waar de studie hen weer opeischte.
Dokter Boomstra had permissie verleend, aan de heel intiemen, afscheid van Chita te nemen. Tom, die naar Delft, waar hij studeerde, terug moest, was een der eersten, die haar mocht bezoeken.
Met hunkering had hij uitgezien naar dit eerste bezoek, niemand had geweten, hoe hij Chita gemist had, Chita, die een veel grootere plaats in zijn hart had ingenomen, dan ooit eenig ander meisje gedaan had.
Ze zat in een diepen fauteuil, toen hij haar bezocht. Een teêr, bleek figuurtje, dat hem nog veel mooier toeleek dan toen ze nog in haar volle fleur was.
Heel lang hield hij het doorschijnende handje vast, dat zich zoo hartelijk naar hem uitstrekte.
Hij zocht naar woorden, wist ze niet zoo gauw te vinden,
„Wat heb je me prachtige bloemen gestuurd, Tom," zei ze, het zwijgen brekend. „En zulke heerlijke vruchten...."
„Ik ben zóó blij, dat je weer beter bent. Chita....