116
steeds weer door zijn hoofd zong en hij deed zichzelf beloften, die hij zeker voor de helft niet zou nakomen. Intusschen liep het seizoen op z'n eind en reeds vertrokken er vele hotelgasten, Titia, die bij Chita's bed zat te handwerken, moest trouw verslag doen van wat er beneden gebeurde.
„Wat zal het vreemd zijn als ik beneden kom, dan zijn de meeste gasten al weg," zei Chita. „Denk je, dat ik gauw op mag?"
„Ik vrees, dat het nog een poosje zal duren, Je was heel ziek! Dokter Boomstra zal wel erg voorzichtig zijn. Zou je lust hebben om op te staan?"
„Neen, dat niet. Ik heb soms het gevoel, of ik een heelen tijd in een afgrond heb gelegen en nu weer boven ben. 't Is zoo'n ijl, zoo'n vreemd gevoel. Soms is het ook of ik jullie stemmen op een afstand hoor. Wat is ziek zijn vreemd, Titia, Ik was geloof ik nog nooit ziek."
„Dan heb je nu de volle portie gehad.”
„Zeg, Titia, weet je wat zoo gek was. Soms zag ik in m'n droomen dien Troubadour, weet je wel? En die grijnslachte zoo allerakeligst, dat ik het wel had kunnen uitgillen!"
„De brave knaap weet natuurlijk van den prins geen kwaad," lachte Titia. „Die zit misschien in Spanje, of Italië en denkt niet meer aan ons kringetje, waarin hij zich, denk ik, niet erg thuis gevoelde."
„Ik geloof, dat 't mijn kwade geweten was. Ik ben zoo onmogelijk tegen hem geweest. En ik weet waarachtig niet waarom. Of.... ja, misschien toch, ik