193
geen klep van. En ga nou asjeblieft niet grienen, want je gasten denken vast, dat zich een drama op de Perelaer afspeelt. Snuit je neus en zit niet zoo onaesthetisch te snuffen!”
Corry, half lachend, half huilend, zocht naar haar zakdoek.
„Walti, geef me even je zakdoek, ik vind den mijne niet.”
„Die zal wel ergens op den grond zwerven,” lachte hij, terwijl hij haar zijn zakdoek gaf. „Als je bij ons bent geweest, vindt Mary steevast een van je miniatuur neus-doekjes. Maar den laatsten tijd vond ze er geen een meer!”
„Denk je heusch dat ’t door de overgang komt?” „Wat? Je natte neus?”
„Hè, mispunt, je weet wel wat ik bedoel.” „Natuurlijk. Niets anders. Jij, met je rijke fantasie, hebt je heelemaal ingebeeld, dat je nergens voor deugt en eigenlijk een dood ongelukkig schepsel bent, dat heel noodig afleiding moet hebben, nu je ver van je Montmartre-komuiten bent, anders sterf je van verveling.”
„Walti, je moet psychiater worden.”
„Dat zeg ik toch altijd. Ik voel onmiddellijk waar ’t kwaad zit in ’s menschen hersènpan!”
Hij vertelde haar niet, dat hij een uur geleden Elly de Geer had gesproken, die hem vertelde van hun escapade naar de stad en hoe ze Corry dien middag eerst landerig en daarna overmoedig hadden gevonden.
„En zou je me nu niet eens wat te drinken geven en je verder aan je gasten wijden?”
„Toe, helpen jullie me toch een beetje. Maatje
In liet Gareel. 13