Een oorverdoovend lawaai volgde op Ambro’s schoone speech en de „lang zullen ze leven’s” waren niet van de lucht.
Toen eindelijk het lawaai ophield zei mijnheer, terwijl hij z’n horloge raadpleegde:
„Zoo kinderen, nu ga je allemaal met nicht Marie mee naar boven om je wat op te knappen en dan... nu, dat zullen jullie wel zien."
Yol verwachting togen ze allen naar boven, en toen ze netjes gewasschen en gekapt naar beneden kwamen stonden mevrouw en de beide heeren al gekleed om uit te gaan en werd ze gezegd zich vlug aan te kleeden.
Toen het heele gezelschap op straat stond, werd een tram genomen, waar ze allen genoegelijk hij elkaar zaten te overwegen waar ze toch wel heen zouden gaan.
En toen ze zagen welke route de tram nam, begon ’t eindelijk bij ze door te dringen dat ze ... naar het circus gingen.
En jawel! daar stapten ze al uit, nog een eindje loopen en daar stonden ze voor het circus.
Het was weer een gejuich van wat ben je me. Ylug werden jassen en hoofddeksels in bewaring gegeven en namen ze allen plaats in een groote, voor de feestelijke gelegenheid besproken loge.
0, wat genoten ze van de voorstelling.
Daar had je dien eenigen August de Domme, die nu letterlijk overal te laat kwam, over alles struikelde en iedereen in den weg liep. De kinderen schaterden het uit om al z’n malle grimassen.
87