Ze verdringen zich om Karel en trachten hem nog het geheim van dien dag te ontfutselen. Maar Karel blijft standvastig en verklapt het niet.
„Half twee aantreden voor ons huis en dan zullen jullie wel zien,” en weg holt hij, terwijl de andere jongens zich in gissingen verdiepen welk pretje ze wel zou wachten.
Klokslag half twee zijn ze allen present bij Karel. Ieder heeft een cadeautje voor hem meê-gebracht en Karel heeft geen handen genoeg om alles aan- en uit te pakken. Dan komt Karel’s moeder binnen met een aardig nichtje van ongeveer achttien jaar, allebei met hoed en mantel aan.
Mevrouw kijkt eens naar de klok en lacht geheimzinnig.
„Zijn de zussen nog niet klaar ?” vraagt het nichtje.
„Die zijn met hun vriendinnetjes in den tuin,” zegt mevrouw. „We zullen ze nu maar roepen.”
De twee zusjes van Karel mochten ieder een vriendinnetje vragen.
Als dit viertal binnen is gekomen, voegen ze zich bij de jongens en ’t is een vroolijk, luidruchtig elftal, dat daar om de tafel met cadeautjes staat, in afwachting van de dingen die komen zullen.
Daar hooren ze door de stille straat een rijtuig rijden, dat stilhoudt voor het huis.
„Daar is ie,” gilt Karel, die zich niet langer bedwingen kan, en hij snelt naar het raam, gevolgd door het heele troepje.
En daar zien ze hem staan, een reuzen-brik met twee stevige knollen er voor.
71