en bedaard slaat ie me daar een visch aan den haak en wat een kokkert!”
„0, ben je bijgedraaid, ongeloovige Thomas! Wanneer zal jij nou es gelooven aan de magische kracht van den beroemden tooyenaar Hadschi Baba!”
„Mag ik ’t eens probeeren, Arnbro?” vraagt Puckie. „Probeeren mag je ’t, maar nou geloof ik op mijn beurt, dat ’t je nog niet zoo glad zal afgaan.” „Poeh! Ik heb nou gezien hoe ’t moet. Geef maar gauw het touwtje.”
„Alsjeblieft majesteit! Toon nou je kunsten. Maar kijk uit!”
Puckie gaat nu op zijn beurt aan ’t werk, doch telkens ondervindt hij, dat de visschen wel in het brood happen, maar niet in de speld.
„Hij is te langzaam, ik wist het wel,” zegt Ambro op stelligen toon. „Ja, ze zijn gek, ze zullen op hèm wachten!”
Puckie geeft het eindelijk op en komt met beschaamde kaken bij ze terug.
„Kijk die visch es springen,” hoont Chris. „Nou maar jij ken ’t. Als je nog even doorgegaan hadt, was de vijver leeg geweest.”
„Stik,” is ’t eenige antwoord van Puckie, die zichzelf overschat had.
„Nou, jongens, nog een paar dagen en dan gaan we ze bakken.”
„Yang jij ze dan maar,” zegt Wim. „Wij zullen er toch wel geen slag van hebben en anders zitten we hier morgenochtend nog.”
207