een fraaie buiging tegen Wim: „Aan u de eer, mijnheer.”
En alsof hij niet weg is geweest, kruipt Wim op handen en voeten langs het van ouds bekende paadje het geliefde Hol binnen.
Dan slaakt hij een kreet van verrukking.
„Da’s verduiveld aardig van jullie,” roept hij.
Het heele Hol is versierd met vlaggetjes, serpentine en papieren rozen. In het midden hangt aan een tak een groote lampion te bengelen waaronder een stoel staat, rijkelijk versierd met sparre-groen ter eere van het feestvarken.
Vlak over den stoel hangt aan een boom een blauw schild, waarop met vergulde letters de woorden prijken:
„Welkom in het Hol van Kaan.”
Uit angst ontdekt te worden, durfden de jongens geen „lang zal ie leven’s” te laten schallen en moest de plechtigheid in alle stilte plaats hebben.
Toch bleef er nog een verrassing. Toen Wim met vereende krachten op z’n versierde zetel was geheschen, zóó hardhandig, dat de sparrenaalden hem om de ooren vlogen, haalde Ambro met gewichtig gebaar een rol papier uit z’n zak en verzocht stilte.
Hij begon:
„Beste Wim, daar zit je weer,
Net zoo als den laatsten keer.
Joh! we vinden ’t zoo fijn!
Lang mag j’ in ons midden zijn.
186