ze het pakje afhalen. Boven aan de trap roept mevrouw: „Ambro, zul je goed op Paul passen?” „Ja mevrouw,” is het antwoord. „U krijgt hem heelhuids terug.”
En nu begeven de jongens zich naar het bootje. „We gaan eerste klas, hoor!” zegt Paul. „Dan zitten we fijn vooraan. En anders krijg je al de rook in je facie.”
„Chique!” zegt Ambro. „Kijk het bankje bij de bel is vrij, laten we daar gaan zitten, dan mogen we bellen als ie vertrekt.”
Ze zijn echter veel te vroeg en er is nog geen sprake van vertrekken.
„Ik ga een appel schillen,” zegt Ambro en hij haalt zijn mes te voorschijn; het mes, dat alle jongens hem benijden, want het is groot, en gevuld met alle soorten van mesjes en priempjes en het is overal voor te gebruiken.
De machinist van de boot, die vlak bij de jongens z’n pijpje staat te rooken, kijkt er met welgevallen naar.
„Dat messie mag er wezen, jongeheer.”
Ambro, zeer gevleid, geeft hem het mes om ’t van dichtbij te laten bekijken.
,,’n Effetief messie, best staal, zal nog heel wat gekost hebben.”
„Niks heeft ’t me gekost. Zoo maar voor noppes weggehaald.”
,/t Zal niet waar zijn,” zegt de machinist.
„Nee, niet weggekaapt! Eerlijk verdiend, hoor!” „En je zeit weggehaald!”
162