En in woeste vaart rennen ze weg, bang, achtervolgd te worden door de werklui.
„Naar ’t Hol, naar ’t Hol!” gilt Ambro.
En als ze daar, hijgend en blazend aangekomen zijn, vinden ze Paul, die rustig zit te lezen en laconiek zegt: „Ik dacht wel dat jullie ontsnappen zouden, Ambro was er toch bij.”
Dit volkomen vertrouwen streelde den hoofdman niet weinig.
AMBRO EN PAUL OP REIS.
De jongens hebben Paasch-vacantie. De meeste van hen zijn uit de stad.
Ambro en Paul zijn de eenigen die in stad bleven en ze hebben zich voorgenomen veel samen uit te gaan.
Allerlei tochten zijn al op touw gezet om toch zooveel mogelijk te kunnen genieten van de vacantie.
Op een dezer dagen komt Paul al 's morgens vroeg naar Ambro toe om hem te vragen of hij lust heeft hem te vergezellen naar Delft, waar hij een pakje moet brengen naar zijn grooten broer, die daar in garnizoen ligt.
,,’t Is wèl een heel eind, heen en terug,” zegt Ambro, die niet veel voelt voor zoon reuzenloop. Maar Paul stelt hem spoedig gerust.
„Bê-je mal! niet loopen! we gaan heen en terug met het bootje.”
,,’t Zal niet gaan, man, ik heb nog maar twee kwartjes en die ga ik niet in één dag opmaken.”
160