Het hol van Kaan

Titel
Het hol van Kaan

Jaar
1919

Pagina's
253



holt de bende juichend naar beneden, terwijl het laatste gedeelte afgegleden wordt langs de breede trapleuning.

„Wat een strop,” lacht Ambro. „Dat hadden ze niet gedacht, de kevers! Ik ga ze vertellen, dat er vijf jongens in nood zitten, want mij hadden ze toch niet in de gaten.”

„Ja, ja, een reuzen-bak,” roepen de jongens.

En met z’n zoetsappigste snuitje gaat hij naar de werklieden, terwijl de overige jongens zich verscholen houden.

„Mijnheer,” spreekt hij den ouden metselaar aan. „Aan den anderen kant van de societeit staan vijf jongens te schreeuwen, ze kunnen dr niet af. Boven op het dak, mijnheer, heelemaal boven.” „Ja, ja, ik weet ’t,” zegt de oude man. „Laat ze maar schreeuwen, me hebbe den tijd. Asse-me naar huis gaan, magge ze d’r af, en dat duurt nog een paar uurtjes.”

„Hè toe, laat u ze d’r af, ’t huilen staat ze nader dan ’t lachen.”

„Zeur niet, jong, anders ka-je een pak op je broek krijgen.”

Ambro geeft het op en slentert langzaam weg. En als hij op een behoorlijken afstand van den metselaar is gekomen, wenkt hij de jongens.

En als ze weer allemaal bij elkaar zijn, maakt hij van z’n hand een toeter en schreeuwt tot den metselaar:

„Meheer! hier zijn ze al! De spreeuwen kenne vliege, leg ze zout op hun staart!”



159

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.