holt de bende juichend naar beneden, terwijl het laatste gedeelte afgegleden wordt langs de breede trapleuning.
„Wat een strop,” lacht Ambro. „Dat hadden ze niet gedacht, de kevers! Ik ga ze vertellen, dat er vijf jongens in nood zitten, want mij hadden ze toch niet in de gaten.”
„Ja, ja, een reuzen-bak,” roepen de jongens.
En met z’n zoetsappigste snuitje gaat hij naar de werklieden, terwijl de overige jongens zich verscholen houden.
„Mijnheer,” spreekt hij den ouden metselaar aan. „Aan den anderen kant van de societeit staan vijf jongens te schreeuwen, ze kunnen dr niet af. Boven op het dak, mijnheer, heelemaal boven.” „Ja, ja, ik weet ’t,” zegt de oude man. „Laat ze maar schreeuwen, me hebbe den tijd. Asse-me naar huis gaan, magge ze d’r af, en dat duurt nog een paar uurtjes.”
„Hè toe, laat u ze d’r af, ’t huilen staat ze nader dan ’t lachen.”
„Zeur niet, jong, anders ka-je een pak op je broek krijgen.”
Ambro geeft het op en slentert langzaam weg. En als hij op een behoorlijken afstand van den metselaar is gekomen, wenkt hij de jongens.
En als ze weer allemaal bij elkaar zijn, maakt hij van z’n hand een toeter en schreeuwt tot den metselaar:
„Meheer! hier zijn ze al! De spreeuwen kenne vliege, leg ze zout op hun staart!”
159