van spreken heeft de gewenschte uitwerking op de jongens en ze gehoorzamen hun hoofdman weer blindelings.
Ze staan nu op het terras, waarop de deuren uitkomen van het Indisch Museum.
Ambro had reeds ontdekt, dat één ervan open stond en fluisterend tot de jongens zegt hij: „Dat deurtje is onze redding, maar we moeten voorzichtig zijn en goed kijken of die vent van het Museum ons niet in de gaten heeft.”
„Die maft het grootste deel van den dag,” zegt Piet. „Dus we hebben kans.”
De rolgordijnen voor de deuren zijn neergelaten, om de zon buiten te houden, dus voor ontdekking behoeven de jongens voorloopig niet bang te zijn.
Op handen en voeten sloop Ambro naar de openstaande deur en keek behoedzaam naar binnen.
„Inderdaad, de mummie maft,” zegt hij blijverrast. „Nou zachtjes, jongens. Als we hem eenmaal voorbij zijn, is het zaakie gezond.”
De bewaker van het museum, evenals de edele Alebes, een Oud-Gediende, sliep als een Turk, hetgeen niet te verwonderen was, want het was een warme dag en van bezoek was in dezen tijd van het jaar geen sprake.
Geruischloos sluipt nu het vijftal de deur binnen en of ze op vilten toffe! tjes loopen, inplaats van op stevige moddertrappers, zod zacht passeeren ze den slapenden waakhond.
Nu is de uitgang van het museum gauw bereikt en als ze eenmaal de trap genaderd zijn,
158